Caesar was here… or was he? Mediahype rond een massamoord

14 december 2015  Bron:  De Erfgoedstem

Trajanuszuil. Overwinning van Trajanus op het opstandige Dacië. Kessel?

VU-archeologen ontdekken locatie historische veldslag Caesar in Nederlands rivierengebied (…) Het bewijs is daar: Julius Caesar richtte in Nederland een massaslachting aan.

Door Evert van Ginkel

Voor de tweede keer dit jaar, na het TRB-grafveld van Dalfsen, haalde een Nederlandse archeologische ontdekking de pers op hoog niveau. Landelijke dagbladen plaatsten het nieuws prominent, en VU-hoogleraar archeologie Nico Roymans mocht het in prime time  presenteren in De Wereld Draait Door: het vroegst bekende slagveld van Nederland was ontdekt, na jaren onderzoek. Of eigenlijk niet zozeer een slagveld als wel een killing field, waar in 55 v.Chr. het leger van Julius Caesar twee Germaanse stammen, mannen vrouwen en kinderen, had uitgemoord.

Plaats van handeling: het Brabantse dorp Kessel, vlakbij de plek waar Maas en Waal samenkomen, precies – of: bijna precies – zoals Caesar het zelf beschrijft in zijn befaamde oorlogsverslag De bello Gallico. Archeologische vondsten vormen het tastbare bewijs dat de slachtpartij hier inderdaad heeft plaatsgevonden en dat Caesar niet zomaar iets verzon om indruk te maken op zijn lezers.

Zwaarden, speerpunten, een helm en vooral veel botten met sporen van dodelijk letsel vertellen hun stille verhaal over het drama. De tot voor kort alleen aan gymnasiasten bekende Usipeten en Tencteren, die tegen Caesars wil over de Rijn waren getrokken en daar zwaar voor moesten boeten, waren opeens nationale gespreksstof.

In het persbericht van de VU viel meteen al de term `genocide’, en die deed het goed in de media. Zo goed, dat de kritische volger van archeologisch nieuws graag wil weten: is het wel nieuws? En: is het geloofwaardig? Op grond van wat er nu bekend is gemaakt, zijn daar wel vraagtekens bij te plaatsen.

Uit Brabant niets nieuws
Al zolang Caesar wordt gelezen, zijn er kenners en uitleggers van zijn, slechts in middeleeuwse kopieën bewaard gebleven geschriften. Die hebben uitvoerig gezocht naar iedere stam, ieder oppidum en ieder gevecht dat de veldheer beschrijft. De episode die nu in het nieuws centraal staat, is altijd een dankbaar onderwerp van discussie gebleken.

Het heeft niet veel zin om hier dieper in te gaan op de mitsen en maren van Caesars topografische beschrijvingen, zoals het feit dat hij het heeft over een samenvloeiing van Maas en Rijn waar het duidelijk om de Waal gaat. Niet, dat die discussie zinloos is, maar ze zou het hele verdere betoog overbodig maken.

Laten we volstaan met te constateren dat Caesars beschrijving van de Germaanse volksverhuizing en zijn eigen opmars gedetailleerd lijkt, maar zich in feite in een geografisch luchtledig afspeelt.

Fig. 21 def

Het in het VU-persbericht opgenomen kaartje (hier links) is een vlotte versimpeling van een onontwarbare werkelijkheid. Ook het door Caesar genoemde aantal van 430.000 al dan niet gedode Usipeten en Tencteren laten we voor zijn rekening, net als het kleinere maar al evenmin realistische aantal van `150.000 tot 200.000’ dat Roymans heeft genoemd en waarvan `60 tot 70%’ over de kling zou zijn gejaagd (Trouw 10/12/2015).

Zo’n massamigratie zou de vermoede bevolking van toenmalig Nederland in één keer hebben verdubbeld of verdrievoudigd, en het in één of enkele dagen vermoorden van zoveel mensen is zelfs in de genocidale topjaren ‘41 -‘45 niet gelukt.

In dit verband kunnen we volstaan met te constateren dat al (veel) langer werd vermoed dat de locatie van het gevecht in het rivierengebied lag. Van Es noemde 35 jaar geleden in De Romeinen in Nederland `Gorinchem of St-Andries’ als plaats van handeling, de Belgische archeoloog De Laet aanhalend die dat al in 1961 stelde. Deze zal het op zijn beurt mogelijk hebben overgenomen van niemand minder dan Napoleon III, die al een kleine eeuw eerder `le Fort St.-André ‘ had aangewezen als de door Caesar aangeduide plaats van samenvloeiing. St-Andries ligt op een speerworp afstand van Kessel.

Vervolgens is het Roymans zelf geweest, die in 2004 uitgebreid stilstond bij deze plek in zijn boek Ethnic Identity and Imperial Power, en er de veldslag lokaliseerde. Met andere woorden: de opvatting over de plek is niet nieuw. Of hij klopt, is een andere kwestie.

Maar het nieuws is er nu juist in gelegen, dat daar allerlei vondsten zijn gedaan die op zo’n gevecht (of massaslachting) zouden  wijzen. Die vondsten – wapens, attributen en menselijk botmateriaal – zijn ook al langer bekend. In Verleden Land (1981) staat een zwaard afgebeeld dat bij Kessel uit de Maas is opgebaggerd. Het wapen, gevonden begin jaren ’70, wordt dan nog onder de noemer `Batavenspullen van een baggeraar’ gerangschikt. In de decennia die volgen, komt er méér boven water: meer zwaarden, speerpunten, een Gallische helm, typische `gordelhaken’, resten van bronzen ketels, munten, aardewerk. En dan zijn er de botresten die tussen 1991 en 1993 zijn verzameld door vader en zoon Stolzenbach, verzamelaars van fossielen.

Het gaat  trouwens niet alleen om menselijke resten, al ligt daar vanzelfsprekend sterk de nadruk op. Naast de circa 650 menselijke beenderen en schedelfragmenten zijn er meer dan 100.000 (!) dierenbotten opgebaggerd op deze plek, merendeels van runderen, maar er zaten ook 10.000 paardenbotten en zelfs 1000 hondenbotten bij. Is deze overweldigende massa te beschouwen als toevallige bijvangst, of zegt het iets over deze plek? Er wordt in de berichtgeving met geen woord over gerept.

Des te meer aandacht is er voor de verwondingen waarvan de sporen op sommige (mensen)botten te zien zijn. Op sommige, lang niet op alle. In een artikel uit 1999 van Muuk ter Schegget, waar Roymans’ publicatie uit 2004 deels op leunt maar nu nergens wordt genoemd, is sprake van negen bot- en schedelfragmenten met sporen van – in de gevallen van de schedels dodelijke – traumata. Deze vondsten zijn de afgelopen jaren uitgebreid behandeld in publieksboeken (zoals Op zoek naar de Kelten van Leo Verhart  uit 2006 en Onder heide en akkers door schrijver dezes en Liesbeth Theunissen uit 2009) en zwaarden en gordelhaken uit Kessel zijn sinds een paar jaar te zien in de Nederlandse afdeling van het Rijksmuseum van Oudheden.

In al deze gevallen wordt een interpretatie van vondsten en vindplaats gegeven die rechtstreeks is afgeleid van Roymans’ boek uit 2004. Daarin schreef hij expliciet dat de vindplaats niet te duiden is als weerslag van het gevecht uit 55 v. Chr. – waarvan hij zoals gezegd wel aanneemt dat dat daar heeft plaatsgevonden – maar van een plek met een eeuwenlange rituele functie. En hij had daar goede redenen voor, zoals hieronder zal blijken.

Als er iets nieuws is aan de vindplaats en de vondsten, is het de nieuwe duiding als residu van een gevechtsterrein. Vanwaar deze ommezwaai, en waarop kan die zijn gebaseerd?


Selectieve waarneming
De archeologische aanwijzingen of zelfs `bewijzen’ voor de locatie van de Usipeten-en-Tencterenslag zoals die in het persbericht van de VU zijn opgesomd, laten zich als volgt samenvatten: a) de zwaarden, speerpunten en `Germaanse gordelhaken’ dateren voor het overgrote deel uit de (vroege) 1e eeuw v.Chr.; b) er zijn naast resten van mannen ook resten van vrouwen en kinderen gevonden, en Caesar schrijft dat ook die meedogenloos werden afgeslacht; c) de al genoemde verwondingen op sommige van de botten; d) de C14-dateringen van  de skeletresten, waaruit blijkt dat ze `uit de Late IJzertijd’ stammen, en e) de recent uitgevoerde analyse van strontium in het tandglazuur van drie individuen, waaruit blijkt dat deze personen `niet autochtoon waren in het Nederlandse rivierengebied maar van elders kwamen’.

Dit klopt allemaal en kan op zich allemaal wijzen op de identificatie van de vindplaats met de last stand van de ongelukkige Germaanse migranten. Maar er is méér over te zeggen, wat vast niet zonder reden is weggelaten uit het persbericht.

Weer Roymans’ eigen publicatie uit 2004 openslaand, lezen we een veel genuanceerder verslag over de dateringen. Zeker, het grootste deel van de wapens en andere attributen dateert uit `La Tène D’, en dan weer vooral uit de subfase D2. Die valt in de eerste eeuw v.Chr., maar beslaat wel een tijdvak van een halve eeuw, tussen 80 en 30. Daar valt het jaar 55 inderdaad binnen, maar daar is ook alles mee gezegd. Een precieze datering is op typologische gronden niet te geven, meldt Roymans met nadruk. Bovendien zijn er, zoals gezegd, ook de nodige voorwerpen opgebaggerd die duidelijk ouder én jonger zijn dan de genoemde periode. Zo is er een aantal Romeinse zwaarden gevonden – enkele spathae en twee gladii – uit de eerste eeuw na Chr. Die kunnen dus niet uit de slag afkomstig zijn, maar ze zijn wel op min of meer dezelfde plek terechtgekomen. Ze worden in de nieuwsberichten niet vermeld, evenmin als talloze andere vondsten van na het begin van de jaartelling.

Slechts één categorie zwaarden wordt speciaal aan de cruciale periode La Tène D2 toegeschreven: lange zwaarden met typische gevesten, aangeduid als het type-Kessel. Waarom deze naam? Omdat Roymans, in 2004 althans, veronderstelde dat het hier ging om een product van plaatselijke smeden.  Hij baseerde zich op overtuigende verspreidingskaarten. Ook de `Germaanse’ gordelhaken, die nu impliciet of expliciet  aan de Usipeten/Tencteren worden toegeschreven, beschouwde hij in 2004 als regionale producten, afgeleid van Noordduitse voorbeelden. Ze hebben dus inderdaad een Germaans aspect, maar niet in directe zin en zeker niet Usipetisch of Tencteers, stammen niet zo ver in het noorden worden gezocht.

Dan de botten. Een bescheiden selectie daarvan is nu opnieuw bekeken en mogelijk komen daaruit nieuwe resultaten voort die we nog niet kennen. Maar het is niet zo, dat er nooit eerder of intensief naar gekeken is. Muuk Ter Schegget kon in 1999 van circa 30% van de circa 650 botresten vaststellen of ze van volwassen mannen, vrouwen of kinderen afkomstig waren; zij kon ongeveer evenveel mannen determineren als vrouwen en kinderen samen. Dat is niet strijdig met Caesars verslag van de slachting.

Zoals gezegd vertoonden negen van de 650 botten sporen van al dan niet dodelijk letsel. Dat wil niet zeggen dat er niet veel méér dan negen mensen uit de groep van minimaal 65 (Ter Schegget) of 100 (nieuwe informatie) individuen een gewelddadige dood zijn gestorven. Dat kan zelfs voor al deze personen gelden. Ook dit kan wijzen op massaal sneuvelen of afgemaakt worden, maar zeker weten doen we het niet. Het hoge percentage botten met trauma lijkt er wel op te wijzen.

Maar zijn ze allen omgekomen bij een gevecht of moordpartij in het jaar 55 v. Chr.? Dat is niet waarschijnlijk. Ik heb weinig gegevens over de nieuwe C14-dateringen. Een aantal van 25 is genoemd in een artikel in Kennislink.nl, maar het is me niet bekend of de 16 dateringen die Ter Schegget al had laten uitvoeren, daarbij zitten, en of die al dan niet herzien zijn. In ieder geval stamt de helft van de zestien door haar gedateerde botten zeker niet uit de Late IJzertijd, maar uit de Romeinse tijd en Vroege Middeleeuwen, met een uitschieter in de twaalfde eeuw. Tussen die latere botten zitten overigens óók exemplaren met verwondingen. Ook als de genoemde acht latere dateringen van Ter Schegget nu op grond van voortschrijdend inzicht gecorrigeerd zijn, dat zou wel vermeld hebben mogen worden in de berichtgeving.

Maar wat zeggen die C14-dateringen, nog los van de latere jaartallen? `De Late IJzertijd’ of zelfs `de eerste eeuw v.Chr.’ bestrijken een bandbreedte van tientallen jaren. Een exacte datering, zelfs tot op tien jaar nauwkeurig, is met de C14-methode onmogelijk te geven. Alle vondsten zijn buiten enige stratigrafische context gedaan. Er is een globale samenhang met de andere late-ijzertijdvondsten, maar samen leveren ze nog geen datering op die iets bewijst over een gevecht in een zeker jaar. Ze kúnnen met dat jaar verband houden. Maar er zijn honderden andere mogelijkheden, waaraan nu – onverantwoord gemakkelijk – voorbij wordt gegaan.

Tenslotte de isotopenanalyse. Daar kunnen we kort over zijn: het is interessant te weten dat de geanalyseerde doden niet uit het rivierengebied kwamen, maar daarmee houdt het (voorlopig) op. Als niet bekend is (en dat is het niet, volgens onderzoekster Lisette Kootker in het bovengenoemde Kennislink-artikel) waar ze dan wél vandaan komen, zegt dat ons helemaal niets over deze mensen. Ze kunnen van de Veluwe komen, of uit Friesland, of uit Milaan, allemaal plaatsen waar andere strontiumisotopenverhoudingen voorkomen dan te Kessel. Onderzoek aan recent in de regio gevonden skeletten uit deze periode (Waalsprong) laat zien dat er nogal wat mobiliteit was; de aanwezigheid van migranten uit verre of minder verre streken is dus niet ongewoon. En ja, die migranten kúnnen ook Usipeten of Tencteren zijn. Nadere studie is zeker gewenst.

De interpretaties uit 1999 (Ter Schegget) en 2004 (Roymans) van Kessel als belangrijk ritueel centrum waren gebaseerd op een uitgebreide beschouwing van de vele aspecten van het gevonden materiaal, waarbij Ter Schegget ook internationale parallellen behandelde en Roymans de verschillende vondstcategorieën en hun samenhang gedetailleerd besprak. De mogelijkheden tot onderzoek van de verschillende materiaalcategorieën zijn nog lang niet uitgeput – denk aan de 100.000 dierenbotten! Er zijn in deze bovendien de afgelopen jaren meer van dit soort plekken gevonden in de omgeving (Lith, Haren) waar botten,wapens en andere voorwerpen bij elkaar worden gevonden. Die zouden verdere studie waard zijn, en de inzichten over de bijzondere vindplaats Kessel kunnen verdiepen.

Die gelaagde beschouwingen zijn nu ingewisseld voor één simpele redenering: Caesar maakt expliciet melding van deze plek – er zijn allerlei zaken gevonden uit min of meer die tijd van een gewelddadig karakter die het oude verhaal bevestigen – dus het moet wel zo zijn. Er is echter veel, té veel weggelaten uit het betoog over de `nieuwe ontdekking te Kessel’ om de met zoveel stelligheid te poneren dat we hier nu echt de plaats delict van een antieke genocide hebben gevonden.


Hype of historie?
Tot slot een laatste aspect  van de zaak-Kessel: de behandeling in en door de media, en de rol die de archeologen daarin spelen. Dat is, geef ik toe, meer een kwestie van smaak dan van feiten. Maar de lezer oordele zelf.

Het is prachtig als een archeologische vondst, toegelicht door een deskundige, breed in de populaire media wordt uitgemeten. Die aandacht heeft de Nederlandse archeologie hard nodig. Het is vanzelfsprekend dat, om dat te bereiken, bepaalde mediastrategieën worden toegepast, en ook, dat men niet al te veel op details kan ingaan – de pers, en zeker de Nederlandse televisie, verlangt een simpel verhaal van een half A-4tje, uitzonderingen daargelaten.

Vervolgens wordt dat verhaal speelbal van de eigen dynamiek van de media, en daar kan de deskundige meestal niets aan doen. Ongelukkige kop, verkeerd geciteerd, het belangrijkste aspect verkeerd begrepen: het komt allemaal voor en is niet te verhelpen. Het is wel enigszins te sturen. Natuurlijk zijn frasen als `het bewijs is geleverd’ terwijl er niets bewezen is, voor rekening van de journalist, maar zo’n uitspraak is hem nu op een presenteerblaadje aangeboden.

In het geval-Kessel is iets anders aan de hand. Er is feitelijk geen nieuws. Tenzij ik iets heb gemist, zijn alleen de drie weinig zeggende isotopenuitslagen een volkomen nieuw element. De rest was al bekend, al jaren en jaren. De feiten zijn geselecteerd op een manier die te denken geeft.

Het kan zijn dat er nu anders aan wordt gekeken tegen bepaalde C14-dateringen, tegen typologieën van bepaalde voorwerpen, dat er aanvullende analyses zijn gedaan die het beeld dat in 2004 zo overtuigend is geschilderd, wezenlijk veranderen. Maar daar wordt in de voorlichting die vanuit het onderzoeksinstituut is geleverd, niet over gerept, dus het is niet aannemelijk dat dit het geval is.

Tenslotte, maar ook dat is een kwestie van smaak, vind ik het hanteren van de term genocide in de VU-voorlichting niet heel gepast, althans: hij wordt wel erg nadrukkelijk gehanteerd. Ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat hier wordt gemikt op de hang naar sensatie in een tijd van onthoofdingen en terreur. Als die indruk onterecht is, mijn excuses. Feit is dat verschillende media er blij op insprongen. Ha, genocide, ook bij ons! Toen ook al!

Het zou wel heel treurig zijn als Kessel alleen op deze manier in het nieuws gebracht kan worden. Want het is een bijzondere en belangrijke archeologische vindplaats, en Nico Roymans is een belangrijk archeoloog, die samen méér te bieden hebben dan sensationele verhalen over moord en doodslag. Zeker niet, nu de daders op het kerkhof liggen; want dat dat Caesars legioenen waren, is allerminst gezegd. Het kán zo blijken te zijn, zeker. Maar nu nog even niet.

Evert van Ginkel is archeoloog en zelfstandig publicist. Hij houdt zich onder meer bezig met provinciaal-Romeinse archeologie en conflictarcheologie en is geïnteresseerd in de verhouding geschiedwetenschap-archeologie en de verhouding archeologie en media.
Advertisements

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s